door Roann Postma

Ik hou ervan om naar binnen te gluren bij mensen. Door de ramen naar binnen te spieken, terwijl ik hun huizen passeer. Ik tuur hun kamers en woongedeeltes in. Het is het leukst in de avond. Als de gordijnen open staan en de lichten aan. Ik kijk naar wat voor programma’s er op de tv worden afgespeeld. Welke kleur de muur geschilderd is. Hoe het huis is ingericht. Wat voor beeldjes er in de vensterbank staan.

Ik weet niet goed waarom ik dat doe. Waarom ik het zo intrigerend vind. Misschien hoop ik een glimp op te vangen van het andere leven in dat huis. Van de persoon achter die specifieke voordeur. Ik hoop misschien dat er persoonlijkheden de ramen doorschemeren. Dat hoe die persoon zijn of haar huis heeft ingericht iets zegt over wie diegene is. En dat ik dat, door naar binnen te kijken,  kan aflezen. Er zit geen oordeel aan als ik zo aan het kijken ben. Ik doe het niet om te oordelen over wat ik zie, maar uit nieuwsgierigheid. Niet om een mening te vormen, maar om iets mee te kunnen krijgen van diegene.
 Al moet ik toegeven dat ik wel een oordeel heb over een bepaald soort programma’s op de televisie. Over bepaalde kleuren op de muur…(geel? Echt waar?) Ook kwam ik er recentelijk achter dat ik toch wel een sterke mening heb over een bepaald soort beeldjes in de vensterbank en dat ik er niets van snap als een van de meest oncomfortabel ogende stoelen in het huis naar de televisie is gericht. Maar dat terzijde. Veel vaker glimlach ik vanbinnen bij wat ik zie. Want als je eenmaal begint te kijken, zie je steeds meer. Katten in vensterbanken. Een man die op pantoffels van de keuken terug naar zijn bank sloft.  Iemand die de persconferentie weg-zapt. Het vertelt me iets. Het laat me een glimp zien van persoonlijkheden. Ik moet hieraan denken, dat ik dit doe (dit naar-binnen-tuur-gedrag), een tijdje nadat ik voorstellingen van het it’s-festival heb gezien in Frascati en terugdenk aan de werken van die avond.

Ik heb glimpen gezien van levens, momenten, binnenkanten van hoofden, kleuren van muren en ik heb er iets van mee naar huis genomen.


Het valt me namelijk op hoeveel je als jonge theatermaker van jezelf in je werk stopt. Hoeveel je laat zien. Hoe lang je mensen naar binnen laat gluren en hoe ver ze dan je kamer in kunnen kijken. En hoe mensen dan een glimp van jou of je  persoonlijkheid kunnen opvangen. Ook al speel je misschien een rol. Of een versie van jezelf. Ook al heb je de muur een ander kleurtje gegeven of andere meubels neergezet. Toch kunnen we naar binnen kijken. Kan ik naar binnen kijken bij de makers.
Ik doe het zelf ook. Het door laten schemeren van wat van mij is. Mijn eigen solowerk is gebaseerd op vraagstukken rondom eenzaamheid, contact zoeken en de kracht van een einzelgänger kunnen of durven zijn. Het is niet uit de lucht gegrepen, ik heb het als het ware uit mijn kamer gehaald. Waar het al een tijdje als een meubel stond; misschien als een grote onhandige stoel. Ik heb de stoel gewoon voor het raam gezet, waar anderen het konden zien. Misschien zouden ze het zien in het voorbij fietsen of lopen. Misschien zouden ze langer naar de stoel kijken. Misschien zouden ze er een mening over vormen. Misschien zouden ze later nog aan de stoel denken. Of zouden ze op zo’n manier aan de stoel denken dat de stoel mijn stoel niet meer zou zijn, maar een andere stoel geïnspireerd op de mijne. Maar dan met eigen invulling en interpretaties. De kleur aangepast. Er een poefje voor gezet. Het kussen vervangen. In ieder geval is er een glimp opgevangen van iets wat zich bij mij binnen afspeelde, vaak achter gesloten gordijnen.
Dat denk ik in ieder geval, dat er een glimp is opgevangen.
Dat gevoel van een glimp heb ik zelf wel op een donkere woensdagavond met harde wind, nadat ik de werken heb gezien van een aantal mede-afstudeerders in Frascati.

Ik kende sommigen makers/spelers al die deze avond hun werk toonden, maar sommigen ook niet. In ieder geval herinner ik me na het zien van de werken weer hoe intrigerend het is om naar binnen te kunnen kijken bij anderen. Die kans had het publiek deze avond, had ik. 
Ik heb glimpen gezien van levens, momenten, binnenkanten van hoofden, kleuren van muren en ik heb er iets van mee naar huis genomen. Iets van wat ik heb gezien.  Een meisje lopend op de toppen van haar tenen door smalle straatjes in Italië, een disco ontstaan door een pailletten-trui, een salvo aan lichamen. Dat zijn de beelden die extra zijn blijven plakken bij mij, na het naar binnen gluren.
Als ik die avond noodgedwongen naar huis moet lopen met mijn fiets met een lekke band aan de hand, kan ik nergens naar binnen kijken. Buiten zijn de gordijnen zijn dicht. De lichten zijn uit.
Dus ik ben blij dat ik heb gekeken toen ik kon. Een glimp heb opgevangen. En gewoon heb gekeken. Gekeken om te kijken. Om te zien. Uit nieuwsgierigheid. Om iets mee te kunnen krijgen. En iets mee heb genomen.


Tekst geschreven naar aanleiding van het voorstellingsbezoek op Woensdag 28 oktober | Frascati |Mirte Desmeth – Caesar, een geschiedenis van de afwezige, Max Laros – baby come back, Romy Moons – STEL

Jasper Hupkens

Jasper Hupkens

Afgestudeerd als dramaturg in 2011 (Universiteit Utrecht). Freelance productieleider en contextprogramma-maker bij Toneelgroep Oostpool.